Deel 27: Doornappel

De doornappel (Datura stramonium) is een bedwelmend riekende en zeer giftige plant. Het oorspronkelijke areaal van de doornappel moet gezocht worden in de Nieuwe Wereld: van Mexico tot zuidoost-Canada. Al in 1577 werd de plant in Spanje ingevoerd, waarna hij al snel in de botanische tuinen in tal van Europese landen verscheen. Omstreeks de 17de eeuw begon de plant te verwilderen. In Nederland begon zijn inburgering pas aan het begin van de 18de eeuw.

De plant behoort tot de zogenaamde nachtschade-achtigen en daarom is dit familielid rijk aan gevaarlijke alkaloïden, zoals hyoscyamine, scopolamine en atropine. Deze alkaloïden zijn zogenaamde anticholinergische alkaloïden, wat betekent dat ze de werking van het enzym cholinesterase belemmeren.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, ‘Datura’, is terug te voeren op het Sanskriet, een oude Indiase taal, waar het woord ‘dhattura’ werd gebruikt voor een direct familielid van de doornappel, de engelentrompet (Datura metel). De oorsprong van het tweede deel van de naam ‘stramonium’ is lastig terug te vinden. Waarschijnlijk is het een Grieks combinatiewoord van ‘strychnon’ (‘nachtschade’) en ‘maniakos’ (‘gek’).

De in Nederland gebruikte naam, doornappel, is terug te voeren op de ei-vormige stekelige vrucht, die wel wat op die van de paardekastanje lijkt. Een oude Spaanse naam voor de doornappel is ‘yerba del diablo’ ofwel ‘woekerplant van de duivel’.

Aangezien deze column is opgenomen in het boek 'Gevaarlijke Planten' heeft de uitgever mij verzocht een deel van de column te verwijderen. Wil je deze of andere columns toch in zijn geheel lezen? Bestel dan het boek!

Zie linksboven op deze site voor bestelinformatie.

Geen opmerkingen: